1.4. De angst om alleen te zijn is gelijk aan het verlangen naar liefde

Mijn reflectie zag er somber uit in het water, hoewel ik hoop dat hij gelukkiger is aan zijn kant.

Ik zat op een houten bankje langs het water in het park, te hopen dat er niemand naast ons zou gaan zitten.

Naast mij op het bankje zat het deel van mij dat verlangen dat er naar hem verlangd werd. Maar ik verweerde me tegen hem met het instinct van een eenzaam mens.

Ik wilde niets liever dan mezelf overdoseren met eenzaamheid. Dat is wat goed voelt na ruzies met Sofie.

Een gevangenis waar de angst om alleen te zijn gelijk staat aan het verlangen naar liefde.

De spelende kinderen die mij voorbij rende. De felle zonnestralen. De geur van vers gemaaid gras. Ik haatte het op momenten als deze.

Op lentedagen zoals deze werd het mij ineens pijnlijk duidelijk hoe koud mijn binnenwereld soms kon zijn. De lentedagen diende als achtergrond waartegen mijn eenzaamheid zijn relief verkreeg.

Er wandelde een grijze man van een jaar 60 voor mij langs. Hij had een wit overhemd aan en droeg Italiaanse loafers. ‘Wát een baas’ dacht ik nog. Mijn eenzaamheid werd kort onderbroken door mijn bewondering voor zijn uitstraling en outfit.

Maar nog voordat ik van de bewondering kon genieten werd ik weer gevangen genomen door mijn eenzaamheid. Alsof ik net genoeg adem mocht halen om volgende golven weer te overleven.

Ik zag een Whatsappje van Sofie binnenkomen: ‘ik ga even naar mijn ouders… Ik vind het jammer dat we weer ruzie hebben.’

De hoop die een fractie van een seconden door mijn lichaam raasde toen ik een bericht van Sofie zag veranderde al snel in boosheid door het nutteloze bericht dat ik las.

‘Jammer….’ zuchtte ik sarcastisch uit.

Wat is nou jammer?

Niets wat geweest is, is jammer. Het hier en het nu, dát is pas jammer. Al die oneindig durende uren die we verloren laten gaan.

‘Veel plezier bij je ouders.’ stuurde ik terug.

Ik wilde mijn telefoon wegleggen, maar dat eerste bericht smaakte als de eerste M&M uit een zak. Ik kon de drang een tweede bericht te snoepen niet weerstaan.

Ik stuurde er gelijk achteraan: ‘Kinderen van 13 laten herhaaldelijk dingen gebeuren die ze jammer vinden. Volwassen nemen hun verantwoordelijkheid.’ en legde direct mijn telefoon weg.

Ik zag in mijn ooghoek dat de grijze man nog steeds schuin voor mij stond langs het water. Ik keek zijn kant op en zag dat hij staarde naar een dood beest wat daar op de grond lag. Ik kon niet goed zien wat het was, maar het leek op een haas.

Precies op het moment dat ik wilde wegkijken draaide de man zich naar mij om en keek mij recht in mijn ogen aan.

‘Kom eens kijken’ zei hij. 

Hij sprak heel rustig en had exact een stem die ik verwachtte bij zijn uiterlijk.

Ik liep zijn kant op en zag nu van dichtbij dat er een dode egel voor ons lag.

‘Moest ik komen kijken naar een dode egel?’ vroeg ik verbaast aan hem.

Hij bleef naar de egel kijken zonder te reageren op mijn vraag, alsof hij mij niet had gehoord.

Ik stond op het punt om weg te lopen toen hij mij vroeg: ‘Weet je hoe deze egel aan zijn einde is gekomen?’.

Alweer zonder mij aan te kijken, alsof hij het niet tegen mij had.

‘Nee, geen idee.’ antwoordde ik, ‘U wel?’.

Hij glimlachte als iemand die het antwoord wél weet, maar zonder mij een slecht gevoel te geven. Het wekte mijn interesse.

‘Egels kunnen niet tegen de kou. Om elkaar warm te houden kruipen egels ‘s nachts heel dicht bij elkaar. Zo beschermen ze elkaar met elkaars warmte.’ begon hij, ‘Maar zodra egels te dicht bij elkaar komen, doen ze elkaar pijn met hun stekels. Waardoor ze telkens weer geneigd zijn zich van elkaar te verwijderen.’

Hij stopte even, keek mij recht in mijn ogen aan en vroeg: ‘zie je wat er is gebeurd?’

‘Nee’, antwoordde ik, ‘hoe verklaart dat hoe deze egel dood is gegaan?’

De man glimlachte weer, keek weer naar de egel en antwoordde: ‘De behoefte aan warmte drijft egels steeds weer opnieuw dicht naar elkaar toe, waardoor de pijn van de stekels hen steeds weer opnieuw van elkaar verwijderd.’ zij hij verwonderd.

‘Egels worden tussen beide kwellingen heen en weer geslingerd, totdat ze eindelijk een gulden middenweg vinden waarin ze het zowel met elkaar als zonder elkaar ‘t best kunnen uithouden.’

‘Hoe verklaart dit dan hoe de egel aan zijn eind is gekomen?’ vroeg ik, ‘hij heeft het dan toch niet meer koud?’

De man draaide zich met heel zijn lichaam naar mij toe en we stonden nu recht tegenover elkaar.

Het viel mij op dat zijn blik een bepaalde mystiek had die ik nog nooit eerder had gezien. Alsof ik in twee van die glazen bollen keek die gevuld worden door een sneeuwstad. Maar dan de zomerse versies daarvan. Hier scheen de zon. Het was er warm.

Hij glimlachte en vroeg mij: ‘heeft de egel het niet meer koud of durft hij geen warmere plek op te zoeken?’

Dat bleek een retorische vraag, hij ging verder met: ‘Na lang heen en weer slingeren tussen pijnvrije kou en pijnlijke warmte, ontwikkelt de egel een angst voor juist datgene dat hij nodig heeft om te overleven.’

‘De warmte?’ vroeg ik hem.

‘Nee’, antwoordde hij, ‘dat is wat hij nodig heeft’.

‘De pijn van de stekels?’ vroeg ik.

Hij knikte bevestigend.

‘Dus een egel is eigenlijk constant bang? Bang om in de koud te zijn of bang om pijn gedaan te worden?’

‘Klopt,’ zei hij ‘tragisch he?’

Hij laste een korte stilte in en keek mij vragend aan.

‘Is het niet tragisch dat de egel ervoor kiest om dood te gaan in plaats van in leven te blijven met de pijn van de stekels?’

Ik wist niet goed wat ik moest antwoorden. Het ging over egels, een dier waar ik nog nooit eerder over had nagedacht.

In plaats van egels schoot al mijn gezeik met Sofie door mijn hoofd. Direct voelde ik weer die verstikkende boosheid door mijn lichaam gieren.

‘Ik snap gewoon niet dat een egel zichzelf op deze manier doodt. Stekels doen dan misschien pijn, maar dat is toch beter dan doodgaan door de kou?’ reageerde ik semi-gefrustreerd.

Alweer die zomerse glazen bollen die hun zon op mij probeerde te schijnen. Hij knikte bevestigend en lachte zachtjes glimlachend door zijn neus.

Hij knikte nog een laatste keer om mij te groeten en draaide zich om.

‘Wat de egel niet weet,’ zei hij voordat hij wegliep, ‘is dat deze gulden middenweg zijn behoefte aan warmte niet bevredigd.’

Toen liep hij weg.

Nam zijn zon mee.

De dode egel liet hij liggen.


Verder lezen? 👇