1.7. Alles geeft je een deel van jezelf terug

Voor het eerst sinds Sofie het uitmaakte (een maand geleden) had ik een goede dag achter de rug.

Goed vanwege de pijnloosheid die vandaag kenmerkte.

Het was zo’n dag dat pijn noch verdriet het waagde om op te spelen. Zo’n dag waarop alle negatieve gedachtes enkel fluisteren en de eenzaamheid op zijn tenen loopt.

Goed omdat ik mezelf eindelijk eens met rust liet. 

Ik keek omhoog en zag dezelfde spelende kinderen als altijd. Dezelfde bomen als altijd. En zag dezelfde reflectie in het water als altijd.

En tóch was het niet hetzelfde.

Jarenlang was ik gewend aan een realiteit die was geconstrueerd in de wij-vorm. Pas nu ik weer single ben kom ik erachter hoezeer de aanwezigheid van Sofie ingebakken was in mijn dagelijkse realiteit.

Het is alsof ik nu door een stel nieuwe lenzen naar de wereld kijk. Alsof ik zwart-wit beeld heb. Het doet me denken aan een verjaardag waar alle gasten vroegtijdig zijn vertrokken.

Omgeven door de sfeer van stilte.

Een verjaardag waarvan kruimels eenzaamheid het enige bewijs waren dat het ooit heeft plaatsgevonden.

Is dit wat Jim bedoelde toen hij zei dat ik ‘een zware periode’ tegemoet zou gaan die ik moest proberen om niet ‘met kutjes en kontjes te verdoven’?

‘Hallo daar.’ klonk een bekende stem.

Ik keek op van het water en zag dat de oude man van een maand terug links naast mij stond.

‘Kan ik naast je komen zitten?’ vervolgde hij.

Nog voordat ik kon antwoorden ging hij zitten, ‘vind je vast niet erg’, zei hij glimlachend. Hij ging rechts van mij zitten en deed zijn hoed af. De sierlijkheid waarmee hij sprak en bewoog was onveranderd. Hij was weer erg modieus gekleed.

‘Komt u weer gezellig dode egels zoeken?’ vroeg ik spottend aan hem. Ik probeerde het te verbergen, maar ik merkte aan mezelf dat ik blij verrast was door zijn opdagen. ‘Komt u hier vaak, in het park?’.

‘Dan hoef ik geloof ik niet verder te zoeken’, hij pakte een sigaar tevoorschijn, ‘en in de zomer probeer ik hier zo vaak mogelijk te zijn. En jij? Jou zie ik hier ook best vaak, op je vertrouwde bankje. Verstandig, de natuur doet een mens goed.’

Hij reikte een sigaar aan zonder mij aan te kijken, ‘ook een sigaar?’.

Ik keek hem aan met een gemixte blik van verwarring en frustratie, ‘hoe bedoelt u dat? Impliceert u dat ik een dode egel ben?’.

‘Ik zou niet durven’ zei hij terwijl hij glimlachend mijn kant op draaide. Hij haalde de sigaar nogmaals heen-en-weer om hem opnieuw aan te reiken, ‘ook een sigaar?’

Ik pakte de sigaar aan. De man pakte een nieuwe sigaar uit de binnenkant van zijn donkerblauwe blazer en haalde uit zijn broekzak een aansteker. Een dure. Zonder verder iets te zeggen stak hij zijn sigaar op en gaf mij de aansteker. ‘Ahhhhh, mooie dag. Is het niet?’

‘Sorry dat ik het opnieuw vraag’, ik pakte de aansteker aan, ‘maar impliceerde u zojuist dat ik een dode egel was?’

‘ach, wie is er trouwens geen dode egel?’ vervolgde ik, ‘wie wordt er niet heen en weer geslingerd tussen twee kwellingen?’

Ik stak mijn sigaar ook op en gaf de aansteker terug aan de man.

‘Fair enough’ lachte hij, ‘zo te horen heb je nagedacht over mijn verhaal over de Egel’.

‘Klopt. Ik heb zeker lang nagedacht over onze vorige ontmoeting, over uw verhaal over dode egels’, ik blies een grote rookwolk en hield mijn sigaar omhoog alsof ik een punt wilde maken. 

‘Dat is mooi’ glimlachte hij, ‘wat heb je kunnen bedenken?’

‘Uw verhaal over het dilemma van de egel is een metafoor voor hoe intimiteit werkt tussen twee mensen. We zijn bang om alleen te zijn, maar ook bang dat de ander ons pijn doet. Dus we verzinnen een middenweg die ons zowel niet beschermd tegen de kou als onze behoefte aan warmte bevredigd.’, vertelde ik trots, ‘net als de egel’.

‘Net als de egel’ herhaalde de man ja-knikkend. Hij knikte, dat betekende vast dat ik zijn raadsel had opgelost.

‘klopt het wat ik zeg?’ vroeg ik hem.

‘Het klopt volledig’, bevestigde hij, ‘maar wat nu? Wat ga je met dit inzicht doen?’

Ik wist niet wat ik met dit inzicht moest doen, maar ik wilde niet dom overkomen dus antwoordde ik: ‘Niet meer bang zijn. Intimiteit heeft nou eenmaal een pijnlijke aard, dat moeten we accepteren.’

De man draaide kwartslag mijn kant op op mij goed aan te kijken en zei: ‘Accepteren is een goed plan, maar wat accepteer je dan precies? Waar komt die pijn vandaan? Waarom vormen andere mensen automatisch stekels die ons pijnigen als we te dichtbij komen?’

Ik nam een goede haal van mijn sigaar en deed net als of ik nadacht. Ik deed net als of, ik wist de antwoorden op deze vragen tóch niet. Ik had er al zó lang over nagedacht…

‘Ik weet het eerlijk gezegd niet’ zei ik, ‘daar denk ik al een tijdje over na’.

‘Als iemand zegt dat hij iets niet weet, dan ga ik op het puntje van mijn stoel zitten’ lachte hij ‘dat is de belangrijkste eigenschap die een mens kan hebben’.

‘Welke eigenschap?’ vroeg ik.

‘Zelfkennis’. zei hij terwijl hij op de zijkant van zijn hoofd tikte, ‘kennis over wat je wil, wat je weet en wat je kunt.’

‘Alles wat je ervaart geeft je een deel van jezelf terug. Er is geen andere realiteit dan je eigen innerlijk. Alles dat je om je heen ziet weerspiegelt een deel van jou zelf. Van jouw innerlijke realiteit.’

Ik luisterde aandachtig terwijl de oude man sprak.

‘Daarom is zelfkennis zo belangrijk. Als je weet wat je wil, wat je weet en wat je kunt dan weet je wat je kan verwachten in de buitenwereld.’

Hij bewoog met beide handen heen en weer alsof hij mij wilde laten zien wat er buiten allemaal te zien viel.

‘Dit is allemaal niets meer dan een grote weerspiegeling. De weerspiegeling van je innerlijk. Dat wat jij ervaart, wat jij realiteit noemt, dat is niets meer dan jouw persoonlijke recept van de buitenwereld.’

‘Wat zit er in dat recept?’ Vroeg ik.

‘Herinneringen, overtuigingen, ervaringen, kennis’, begon hij op zijn vingers te tellen, ‘en al deze factoren zijn bepalend voor wat jouw zintuigen waarnemen’.

‘Alles wat jij ziet, hoort, proeft, voelt en ruikt is product van de factoren die ik zojuist opnoem. Alles wat zich hier afspeelt wordt gefilterd door jouw herinneringen, overtuigingen, ervaringen en kennis. En dán pas kom jij tot het besef wat er gebeurt. Er bestaat niet iets zoals objectieve waarneming.’

Hij stopte om een haal te nemen van zijn sigaar en vroeg mij: ‘snap je een beetje waar ik heen wil met mijn verhaal?’

‘Ik snap u uitleg over hoe mijn persoonlijke realiteit tot stand komt, maar nog niet wat dit met zelfkennis te maken heeft.’ Gaf ik eerlijk toe.

‘Áls het waar is dat jij geen objectieve realiteit waarneemt, maar een persoonlijk recept ervan… Eigenlijk ervaar je dan altijd een deel van dat persoonlijke recept. Alles wat je ziet, hoort, voelt, ruikt of proeft is een deel van dat persoonlijke recept. Je zóú kunnen zeggen dat de realiteit niets meer is dan wat jij ervan maakt. De realiteit is een projectie van jou zelf.’

Ik keek vragend naar de man terwijl ik zijn uitleg liet landen. Opeens had ik het met een wildvreemde over de realiteit. Weer over egels. Waar komt deze man toch telkens ineens vandaan? En hoe kom ik telkens toch zo diep met hem in gesprek?

‘Wat vind je van de sigaar?’ vroeg hij ineens.

‘Een beetje sterk, maar erg smaakvol.’ Antwoordde ik verbaasd.

‘Mooi. Vertelt dit meer over hoe sterk of smaakvol de sigaar daadwerkelijk is? Of vertelt dit meer over wat jij zelf sterk of smaakvol vindt?’

‘Meer over mijn eigen smaak natuurlijk’ zei ik zelfverzekerd.

‘Jouw persoonlijk recept.’ Knikte hij.

‘Als jij ergens bang voor bent, zegt dat dan meer over hoe eng datgene is? Of zegt het meer over wat jij eng vindt?’

Hij trok zijn wenkbrauwen omhoog en boog zijn hoofd naar voren. Natuurlijk was dit een retorische vraag. Ik wist waar hij naartoe wilde, maar waaróm besprak hij dit met mij? Hoe wist hij dat het verhaal van de egel zo relevant voor mij was? En nu dit weer?

‘Meneer, voordat ik antwoord geef… Mag ik u iets vragen?’


Verder lezen? 👇